Proezie
Meisje van de zangvereniging
Zij had een stem die rook naar gestreken katoen en verderop naar zee,
alsof ergens iets openging waar ik niet in mocht kijken.
Ik nam haar mee door straten die we allebei zijn kwijtgeraakt.
Zij zong.
De stoeptegels deden niets bijzonders,
wat al bijzonder genoeg was.
Nu speelt ze bridge in een huis
waarin haar stem geen kamer meer heeft.
Haar kinderen zijn arts, advocaat,
en over de derde glimlacht ze al
voordat ze iets zegt.
Ik zing niet meer.
Geen van ons heeft dat ooit hoeven zeggen.
Maar ergens ligt nog de maan waaronder we liepen,
netjes opgevouwen in een la
die zij nooit heeft opengetrokken,
wachtend op een andere tenor.
Dagelijks Brood
Er staat een bakker in mijn hoofd die nooit slaapt.
Om drie uur 's nachts kneedt hij een zin,
hij ruikt naar gist en ongeduld,
en hij vraagt niks terug.
In den beginne was het woord,
maar daarvóór was er waarschijnlijk iemand
die zijn riem strakker trok en dacht:
dit moet toch ergens goed voor zijn.
Chaplin at zijn schoen in kleine hapjes,
veters als spaghetti, nagels als botten —
hij wist dat honger beter smaakte
als je er een publiek bij had.
Eén gedicht per dag, zegt de dokter,
maar hij schrijft het niet op een briefje.
Het zit in zijn handdruk.
In de manier waarop hij luistert
alsof je iets zegt wat hij al vergeten was.
Ik houd mijn eigen broek op
met de broekriem van iemand anders.
Die zit verrassend goed.