Geen mens is een etiket

Gepubliceerd op 4 april 2026 om 19:06

Geen mens is een etiket - Over 'labelen' en je oordeel even opschorten

door Willem Jan van den Brink - gespreksleider bij het Centrum voor Zelfbezinning in Leusden

 

We plakken graag labels. In de psychiatrie, maar ook in het dagelijks leven. Iemand is depressief, autistisch, lastig, dominant, vermijdend of overgevoelig. Zo’n etiket lijkt duidelijkheid te geven, maar versmalt vaak juist het zicht. Want wie een mens te snel benoemt, ziet al gauw niet meer wie hij voor zich heeft.

Precies daar raakt de kritiek van psychiater Jim van Os aan een houding die in het Centrum voor Zelfbezinning van belang is: het afzien van mensen een etiket opplakken.

Van Os is al jaren kritisch op de DSM-5, het bekende classificatiesysteem in de psychiatrie. Zijn bezwaar is helder: psychisch lijden wordt daarin te snel vertaald in labels die weinig zeggen over de persoon, de achtergrond van het lijden en de hulp die werkelijk nodig is.

Volgens hem maakt de DSM van menselijke variatie al gauw een stoornis. Ervaringen die ook bij het leven zelf kunnen horen, raken zo gemakkelijk gemedicaliseerd. Bovendien is de wetenschappelijke basis onder al die afzonderlijke stoorniscategorieën volgens Van Os minder stevig dan vaak wordt aangenomen. In de praktijk werkt het systeem ook bureaucratie, protocol-denken en wachtlijsten in de hand.

Zijn belangrijkste punt is misschien wel dat een diagnose lang niet altijd duidelijk maakt wat iemand nodig heeft. Twee mensen met hetzelfde label kunnen een totaal verschillend verhaal hebben. Daarom pleit Van Os voor een andere benadering. Niet beginnen met de vraag: welke stoornis is dit? Maar met vragen als: wat is er gebeurd, waar loopt iemand in vast en wat helpt deze persoon werkelijk verder?

Die gedachte reikt verder dan de GGZ. Ook in zelfbezinnende gesprekken ligt het gevaar op de loer dat iemand snel wordt getypeerd. Als moeilijk. Afwerend. Gekwetst. Vechtend. Maar zo’n oordeel zet vast. Het lijkt verhelderend, terwijl het intussen de persoon achter het gedrag uit beeld kan duwen.

In het Centrum voor Zelfbezinning vraagt dat om een andere houding van gespreksleiders: terughoudendheid in het oordeel, aandachtig luisteren en ruimte laten voor wat nog niet meteen te duiden is.

Dr. C.J. Schuurman zei daarover: “Als iemand een onhebbelijkheid heeft, zet je oordeel dan even opzij; op dat moment is het al niet meer wat het leek te zijn.”

Dat is een subtiele maar wezenlijke gedachte. Zodra het oordeel even wordt opgeschort, verandert ook de waarneming. Wat eerst alleen hinderlijk of vreemd leek, kan in een ander licht komen te staan. Er ontstaat opnieuw beweging. Niet het etiket staat dan voorop, maar de vraag wat zich in deze mens werkelijk laat zien.

Daarin raken de kritiek van Jim van Os en de praktijk van het Centrum voor Zelfbezinning elkaar. In beide gevallen gaat het om verzet tegen reductionisme. Tegen de neiging om mensen samen te laten vallen met een diagnose, een typering of een eerste indruk.

De wezenlijke vraag is dan niet: in welk hokje past deze persoon?
Maar: wat vraagt hier om aandacht, om begrip, om onderzoek?

Dat is niet alleen een andere manier van kijken. Het is ook een menselijker manier van ontmoeten.